We schrijven de jaren veertig van de vorige eeuw. In het dorp in de Kempen verschenen affiches aan de muren. Ze spraken een taal van uitroeptekens, hoofdletters en onbehouwen Duits, en door de kracht van die tekens zweefden, vielen, nee dwarrelden plots massa’s papier naar beneden. Het waren honderdduizenden lange strookjes, dertig centimeter lang en een centimeter breed, zwart langs de ene kant en zilver langs de andere. Het waren spreeuwenwolken, wervelwinden, exotische regens. Het was als de verschijning van een geest.
De kinderen van het dorp verzamelden de strookjes, trachtten ze te lezen door ze te weken in azijn of de zilveren kant te verhitten boven een kaars. Maar er werd geen geheime boodschap zichtbaar.
Kort daarna zweefden, tuimelden, nee vielen Amerikanen en Britten uit de lucht, ze vielen uit B52-Liberators en Halifaxes, en zij hadden de strookjes uitgegooid om de Duitse radars te misleiden. Hun geallieerde lichamen waren getraind en ingeënt, opgeleid in sabotage, ze hadden de kunst geleerd om nooit wanhopig te worden maar altijd alert te zijn, wantrouwig, en ze zouden met hun leven het vaderland dienen. Ze waren klaar om vogels te zijn in de lucht, aan adembenemende parachutes. Tot plots schijnwerpers hen vingen in hun licht. Op dat moment pas voelden ze voor het eerst het echte gewicht van hun leven. Een pluimpje, nee dat waren ze niet. Ze voelden ineens de gekoesterde foto op hun borst, deze luchtkapiteins en luchtmatrozen, nu plots gedoodverfd als martelaars.
Op 9 mei 1944 werd een Amerikaanse B24-Liberator neergeschoten door een Duits jachtvliegtuig. Een zwarte rookwolk volgde het vliegtuig naar de grond. Er waren tien inzittenden. Bommenrichter John Didominico sprong en werd meteen geraakt toen hij aan zijn valscherm naar beneden kwam. Noel Kincart sprong, werd wellicht ook geraakt maar zijn valscherm opende zich niet. Donald Mc Kinnon en Clarence Burelson werden gedood in het vliegtuig. De anderen konden ontsnappen met een valscherm en werden krijgsgevangen genomen.
Op 11 september 1944 werd een Engelse viermotorige Halifax geraakt door Flak-afweergeschut. Het vliegtuig was op de terugweg van Duitsland. Met hun valschermen kon de bemanning het vliegtuig verlaten, en als laatste sprong piloot-luitenant Douglas Wood. Wood kwam terecht in een boom. Bloedend aan hoofd en benen werd hij naar het dorp gebracht. Hij kon onderduiken net als de andere bemanningsleden Woodgate, Dickerson en Cooper op drie verschillende plaatsen in het dorp.
Een week later, op 18 september 1944, stortte weer een Liberator neer, deze keer met een elfkoppige bemanning. Ze konden ontsnappen met hun valscherm, maar piloot Wade Sewell bleef in het toestel, omdat de gekwetste Carlos Floyd nog aan boord was. Sewell kreeg het toestel veilig aan de grond. Verzetslui konden hem op tijd evacueren, maar de gewonde metgezel moesten ze achterlaten, omdat Duitse soldaten net toekwamen. Wade Sewell had een schedelbreuk. In burgerkleren werd hij met de ambulance naar het ziekenhuis van Turnhout vervoerd en hij dook daarna onder.
Vele jaren later kwamen soms nog Amerikanen en Engelsen naar het dorp om de plaats waar ze neerkwamen, te bezoeken. Maar wat is te zien aan een beek, weiden en naaldbomen? Net zo moet ik soms ’s nachts teruggaan naar de Kempen.
Want als die piloten van toen nu ’s moderne engelen waren?
Want iedereen weet dat engelen groot, ijl, wit en onkwetsbaar zijn. Gezegend zijn je snijwonden, als je valt als een engel.
Of was het meer als een gewonde valk? Nee, het waren engelen. Want hoe noem je anders dat luchtpersoneel met open beenbreuken, met valschermstof als vleugels, met aureolen van vliegtuigonderdelen, bloedend als een rund, neerzwevend onder struiken onder het hemelse gezang van ambulances en afweergeschut? Zoals zij door de lucht konden vallen, dat doet geen mens hem na.
Zag jij ooit iemand vallen? Hoorde je plots iets zwaars neerploffen? Dacht je daarbij aan meteoorresten, fragmenten van satellieten, stenen die loskwamen uit een bouwval, of loszittende pannen? Of dacht je aan een mens?
Plots stuikt iemand neer.
Dat soort verschijnselen.
Dat valt neer met een droge plof, en daarna heerst koude stilte, in deze beschaafde wereld waar nooit iets opschrikt tussen de zilverdennen, de berken en de cipressen? Of gebeurt er soms iets tussen de verbouwde boerderijen, de fermettes en de burgerhuizen? Nee, alles is altijd hor izontaal.
Maar soms valt er toch iets, en treft het ons op verticale wijze. Ik zag ooit een dakwerker, hier in de stad, in het midden van de straat: armen en benen roerloos gespreid, gekleed in povere werkmanskleren. Alleen zijn ogen konden nog bewegen.
De val van de arme dakwerker was snel en kort geweest, als een zwaar gewicht dat neerplofte. Maar wie goed toekeek en de beelden even stilzette, zag scherp wat gebeurd was. Hij viel alsof hij neergesmeten werd. Snel, hard werd dat menselijk lichaam in kwaadheid neergesmeten, en de vraag was of iemand hem ooit had kunnen opvangen.
Hierop is geen mens voorzien.
Zag jij ooit iemand vallen?
De dag van gisteren was heet geweest, de nacht was maanloos en ergens in de Kempen hing nu iemand te hijgen aan een boom boven een greppel. Zijn rechterbeen voelde hij niet meer. Langzaam werd het dag en achter de gordijnen sliep het dorp nog even. Met zijn ogen dicht hing de piloot als een kind dat gewiegd werd. Geblaf van honden, hanengekraai. De vallende man was gekomen. Hij was voor ons allen gekomen. Maar iedereen sliep nog.
De vallende man was een gevallen god. Hij trachtte zich op te trekken aan het touw maar gaf het snel op. Te zwak. Hij klappertandde, stak een sigaret op, terwijl hij daar hing als een vliegje in een web, een vastgenagelde vleermuis. Ja, de parachute had naar behoren gewerkt: fladderend vouwde de linnen paddenstoel zich open als een bloem, een zakdoek, een beddenlaken dat zich droog wapperde in een stadstuin, een meisjesrok die opbolde in de wind. Zijn vlucht was een en al vloeibaarheid geweest. De held van de Royal Air Force heette Douglas Wood en hij kon morse begrijpen en boodschappen in morse verzenden, hij kende close combat. Zo-even ronkte hij nog in de lucht, zwenkte over de kerktoren, en werd dan plots één met brekend glas. En Wade Sewell was net zo’n fijngeschoren tuimelende vent. Schedelhuid los, alsof een kroon welja een doornenkroon om zijn hoofd zat en bloedde. Ze brachten hem ook naar het dorp, achter een kapel waar een grot was met een Kalvarieberg. Kyrie, en Gloria en Sanctus sanctus sanctus, zei en zong de zuster die erbij kwam. Zijn haar lag als een vuile scalp over zijn oor. Een dokter gaf hem de eerste zorgen, waarna hij kort in een ziekenhuis verbleef en onderdook.
En net zo was het de piloot Douglas Wood die op 11 september neerviel als een zondige engel. Hij hing in een boom, fladderend als een gekwetste vogel. Bloed liep in druppels van zijn been door de opengescheurde broek. Ondanks zijn bloedende handen lachte hij, bad hij en tastte de hele tijd aan zijn pijnlijke bovenbeen. Verzetslui sneden hem los en droegen de gewonde man op een laddertje naar het dorp. Langs een achterpoortje gingen ze een tuin binnen, en verzorgden hem. Zij gaven hem een stapeltje burgerkleren en een blauwe stofjas, en de gewonde piloot trok dat aan. Het was vijf uur in de middag. Twee uur later werd de piloot Douglas Wood naar een boerderij gebracht waar hij zou onderduiken tot het eind van de oorlog.
Zag jij ooit iemand vallen? 's Nachts in mijn bed, hier in de stad, hoor ik vaak vallen, en vallen, en vallen. Ik hoor een man vallen. Hoor jij dat soms ook? Zoemend en smeulend ligt een man nog na te gloeien van de diepe val. Bewusteloos, zwaar gewond natuurlijk, en nu komt langzaam zijn bewustzijn terug. Nu is hij blijkbaar waar hij moet zijn. In de Kempen. Het is ginder dat ze hem afgesmeten hebben en het is die pijn aan zijn been en zijn voorhoofd, en al dat bloed op zijn lijf waar iemand zijn vingers in boort, die hem doen janken. Als een klein kind.
En stopt maar met wenen, gij.
Wat doe ik hier, probeert hij te vragen, in het Engels natuurlijk, en hij opent zijn ogen.
Stopt maar met wenen, gij.
Alles wat hij zegt kan tegen hem gebruikt worden.
Zwijgt maar, het helpt toch niet.
We doen toch allemaal ons best in de Kempen. De geur van de dennen hier. De pijn is de geur van de dennen hier.
Vanaf 1942 trokken bommenwerpers hoog over België: Engelsen en Amerikanen op weg naar Duitsland. Brommend, vol bommen voor Fritz in Duitsland. Het luchtalarm ging wel af, maar men keek, niet ongerust, amper naar boven. Het verzet werd agressiever. Koolzaadvelden werden in brand gestoken, omdat gezegd werd dat het product verwerkt werd tot smeerolie voor Duitse oorlogsmachines. Vanaf half juni stuurde Duitsland V1’s naar Engeland.
Een machine reist niet als een mens of een dier, maar een V1 of een V2 scheert wel door de lucht. Als een vogel? Nee, plompe dieren zijn het, met neiging tot wanstaltigheid, ze hebben geen ziel, lijken niet op vogels of engelen. Ze ploegen zich een eenzame weg door de lucht. Soms zijn ze nukkig, als vuile dikke mensen.
De V1 was een metalen haai, met een hart van benzine en geperste lucht. Zijn huid was van plaatmetaal. In zijn staart zat zijn geheim: zijn primitieve brein. Het was een gyroscoop die navigeerde als een automatische piloot. Een lichaam van hefboompjes, zuigerstangen en koppelknieën was de V1, die bromde in de lucht, zonder veel overtuiging, maar plots viel het gebrom dan stil. Het vliegtuig werd een bom. De lucht werd met een scheermes doorgesneden, op fluitende, snerpende wijze en de bom viel. En viel.
De V2 was een ontploffende windhond, of nee een dolle olifant die blind en explosief naar zijn doel rende, als gierend vuurwerk. Hij steeg op als een raket, in een vuurstraal van vloeibare zuurstof en brandalcohol. Zijn brein was net als van de V1: ook een gyroscoop, met sneldraaiende wieltjes die pijlsnel hun vaste plaats zoeken en innemen. Zijn hart was scheikundig, van waterstofperoxide en permanganaat.
Op 27 november ’44 viel een V1, en in december een V2-raketbom vlakbij het dorp. Ter plaatse was er telkens een put van drie meter diep, met een doorsnee van acht meter, en tussen deze wonderlijk zuiver afgewerkte put en het dorp lag een brede strook met brokstukken van de projectielen.
Zo was dat toen. Ik lag in mijn bed te woelen, hier in de stad, ik hoorde het buiten regenen. Ik dacht aan mannen die ginder, toen vielen, het waaide hard en uit de lucht viel weer een man. Hij was gestuurd door de wapenfabrieken, door de geallieerde hoofdkwartieren en nu zeilde deze man aan een grote linnen paddenstoel naar beneden. Zijn tocht was lichtvoetig, het roggeveld zijn bestemming. Op de akker waren boeren aan het werk met hun paarden, koeien graasden, in de lucht hing weer een jonge vallende man. Niemand leek hem te zien, iedereen keek weg. Rond de vallende man hing een fijne witte nevel.
Waren dat de zilveren jongens die de oorlog gingen beëindigen? Met hun kleine handen? En sliepen zij vorige week nog met hun lief? Hoe hadden ze hen zo ver gekregen? Duitsers zijn goede schutters, dat wisten ze toch? Deze jongen landde zacht, verzamelde zijn parachute met veel moeite en legde zijn legerjas op een stronk. Een engel die landt op aarde. Maar omdat vele van deze frêle jongelui neervielen, bleek dit het leger in opmars, en sprak men van de bevrijding die nakend was.
De bevrijding was nakend, ik kon weer inslapen.
Ik droomde dat ik mijn tuin inwandelde. Mijn kinderen hadden een put gegraven, ijverig als arbeiders. Of beter, ze hadden een hol gegraven achterin de tuin, zodat errond een berg was ontstaan en daarboven stonden gebouwen. Vertel ik verward? Excuseer, het was een droom.
Mijn kinderen hadden onder een gebouw een kamer uitgegraven, en hadden grote hopen gele zavel op het gazon gevoerd. Een soort kelderkamer was het en ik klom bovenop een schutting die een berg was geworden of nee, het was een gebouw. Een instituut, een kantoor, en daarachter lag plots de drukke stad in de regen met trams, auto’s, lichtreclames en geel natriumlicht. Geel van de zavel in de Kempen. Wie een diepe put graaft, kent dat. Met een scherpe steekspade, voorbij de wortellaag, wordt het zand zwaarder, voller, geler. De zavel is van die zware, rijke, kruimelende aarde. Vette plakken, die je dan met een platte schop verplaatst en de kluiten vallen in de zon uiteen in mul zand.
Het was alsof mijn kinderen de stad ondergraven hadden, met hun gevaarlijk tijdverdrijf. Alleen ik wist dat. Ik ontsnapte, klauterde terug mijn tuin in, waar ik de geur van petroleum onderscheidde en alles straalde of baadde in onnatuurlijk geel licht. En ’s ochtends vond ik sporen van geel zand in mijn keuken. En zand aan mijn schoenen, en onder de nagelranden van mijn slapende kinderen vond ik het fijnste, het geelste Kempense zand.
Koen Peeters, maart 2008
maandag 24 maart 2008
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten